Het Telefoonboek
Het artikel is oorspronkelijk geplaatst in het
clubblad van Beofriends uitgave december 1995.
Inleiding.
Dit verhaal gaat niet over het telefoonboek van Soest of Utrecht, laat staan
over het telefoonboek van Kopenhagen, maar over een belangrijk stukje
geschiedenis uit het historierijke verleden van Bang & Olufsen. Een behoorlijk
spannend verhaal overigens, want de hoofdpersonen speelden met gevaar voor eigen
leven. We verplaatsen ons naar het einde van de dertiger jaren en volgen Duus
Hansen, de hoofdrolspeler, in een adembenemend manusscript dat uiteindelijk
leidde tot een totale vernietiging van de Bang & Olufsen fabrieken in 1945.
Denemarken verstoken van de buitenwereld.
Waar men nooit op had gerekend was dat Denemarken volledig afgesloten zou worden
van radio-communicatie en telefoon. En dat was eerder nog nooit voorgekomen,
niet in 1864, toen Denemarken bijna verslagen was, niet in 1914, bij het
uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en ook in 1938 had niemand verwacht dat dat
zou gebeuren. Geen enkele instantie had voorzorgsmaatregelen genomen om het
contact te kunnen behouden met de buitenwereld toen Denemarken werd bezet door
het Duitse leger.
Het duurde twee jaar, voor er communicatie mogelijk was, illegaal wel te
verstaan met een Engelse Transceiver. Dit is de Engelse benaming voor een
apparaat met een zender en een ontvanger in één behuizing.
De contra activiteiten.
Na
de bezetting bloeide er een actief verzet op. Het verzet had hoofdzakelijk
contact met Engeland, vaak via het neutrale Zweden en wisselde informatie uit.
De organisatie waarmee werd gecommuniceerd was de Special Operations Executive (SOE),
een organisatie die is opgericht in 1941 door Winston Churchill. Via deze
contacten ontving het verzet wapens, technische middelen en informatie. De
goederen werden meestal 's nachts aan een parachute gedropt uit een vliegtuig op
"veilige" plaatsen in Denemarken.
In
1941 werden twee Denen in Engeland door SOE speciaal opgeleid voor radio
telegrafie. Toen deze opleiding was afgerond werden de twee Denen met een
speciale missie per vliegtuig aan een parachute gedropt in Denemarken. Zij
hadden een transceiver bij zich om contact te kunnen onderhouden met SOE. De
zender had net voldoende vermogen om Zweden te bereiken. Zweden was neutraal en
kon de gecodeerde berichten naar SOE in Engeland doorleiden. De meest ideale
locatie om met de zwakke zender het contact te onderhouden was vanuit Kopenhagen.
Maar dat was wel een gevaarlijke lokatie omdat de vijand met peilapparatuur
voortdurend in de weer was om illegale radio-stations op te sporen. Het eerste
radiocontact met de vrije Wereld werd gemaakt, met de gedropte transciever, op
20 april 1942. Volgens Gunnar Christiansen, de operator van de Engelse
Transciever was het apparaat erg betrouwbaar en stabiel.
De
Engelse zender had echter, behalve het kleine bereik, enkele andere nadelen. Ten
eerste kon het alleen op wisselspanning werken. In die tijd was er in de meeste
plaatsen in Denemarken slechts gelijkspanning beschikbaar. Ten tweede was er een
speciaal antenne netwerk nodig. Zo'n antenne systeem was niet beschikbaar en
moest speciaal gemaakt worden, bovendien was het erg opvallend. Als laatste was
het apparaat zelf opvallend en kon het moeilijk ongemerkt meegenomen worden. De
grootte en het gewicht van de transceiver maakte het apparaat moeilijk
verplaatsbaar. Het was belangrijk voor de uitzending verschillende locaties te
gebruiken om de vijand op een dwaalspoor te brengen.
Er
werd een tweede transceiver gedropt. Een met meer zendvermogen en een
selectievere ontvanger. Toch kon Engeland slechts zwak boven het geluid
ontvangen worden van nabij gelegen zenders. Door de krachtigere zender kon wel
direct kontakt onderhouden worden met SOE in Engeland. Deze transceiver is
gedurende de gehele oorlog gebruikt voor kommunicatie met SOE. Maar ook deze
transceiver had een paar belangrijke nadelen. Net als de eerste transceiver
werktte dit apparaat op wisselspanning en was het groot en zwaar en daardoor
moeilijk ongemerkt te verplaatsen. Het even oppakken van de transceiver en
vervoeren naar een andere lokatie was er niet bij. Dat maakte het gebruik van
dit apparaat bijzonder kwetsbaar. De vijand had peilwagens met directionele
antennes om zo het radiostation te kunnen localiseren met het doel de radio
operator en de helpers te arresteren. Volgens een vast schema uitzenden was dan
ook niet mogelijk. De radio operator moest erg snel zijn en in "no time" het
hele spul op kunnen pakken en rennen voor het leven. Het zou wel erg opvallend
zijn wanneer je dan rondliep met een twintig kilo wegende grote aktentas.
Bang & Olufsen in de Tweede Wereldoorlog.
Veel radiofabrikanten vochten in die tijd voor een positie op de markt en er
waren er velen; Bravour, Herofon, Magnavox, To-R, Unica, Sonofon om er een paar
te noemen. Bang & Olufsen had toen al een vooraanstaande positie op de
radio-markt van Denemarken en werd gerekend tot de top in die industrie. Toen de
oorlog uitbrak steeg de vraag naar radio's enorm terwijl de toelevering van
onderdelen steeds moeilijker werd. Verder werd invoer van halffabrikaten,
materialen en onderdelen vrijwel onmogelijk gemaakt door de bezetters. Bang &
Olufsen was echter handig in het vinden van alternatieven en kon daardoor
redelijk aan de vraag voldoen. Door de groeiende omzet was het nodig de grootste
uitbereiding ooit uit te voeren aan de fabrieken in Struer. Dat gebeurde in
1941.
Veel medewerkers van Bang & Olufsen waren actief in het Deense verzet. Peter
Bang en Svend Olufsen wisten hier natuurlijk van maar verboden deze illegale
activiteiten niet, ondanks de gevaren die eraan kleefden. Het gebeurde zelfs dat
wanneer er onderdelen nodig waren voor het verzet, Peter Bang en Svend Olufsen
toestemming gaven deze te leveren, maar wel onder uiterste geheimhouding. Er
waren namelijk lieden, die zich verenigden met de vijand en daar waar mogelijk
sabotage pleegden. Vooral fabrieken en spoorwegen waren daar slachtoffer van.
Het was niet ondenkbaar dat ook Bang & Olufsen te maken zou krijgen met sabotage
wanneer de steun aan het verzet zou uitlekken.
Duus Hansen in Kopenhagen.
Toen de oorlog uitbrak, werd er een subafdeling in Kopenhagen opgezet om de
groeiende vraag naar radio's te ondersteunen. Daarvoor werd Duus Hansen, hoofd
van de afdeling Ontwikkeling, in Kopenhagen gestationeerd.
Duus Hansen was bijzonder actief in het Deense verzet en werd, eenmaal in
Kopenhagen aangekomen gekozen als kontaktpersoon van de Special Operations
Executive (SOE). Hierbij zal zijn radiotechnische achtergronden een belangrijke
rol hebben gespeeld. De opdracht van Duus Hansen was een communicatiekanaal te
onderhouden met de SOE organisatie in Engeland. De problemen met de Engelse
transceiver moesten opgelost worden en er moest op geregelde tijden contact zijn
met SOE.
Om
aan deze opdracht te kunnen voldoen, had Duus Hansen een betere transceiver
nodig. In het diepste geheim organiseerde hij een meeting met SOE in Stockholm (neutraal
Zweden), waar hij vroeg om betere apparatuur. Dat verzoek werd hem door SOE
afgewezen gewoonweg omdat SOE geen betere apparatuur kon leveren. Duus Hansen
kreeg toen de opdracht een radiostation te ontwikkelen voor het Deense verzet.
Behalve dat moest hij mensen zien te vinden die opgeleid konden worden tot
radio-operators. Deze radio-operators moesten in staat zijn met de morsesleutel
minimaal 125 karakters per minuut te zenden. Dergelijke gekwalificeerde personen
hoefde Duus Hansen niet van SOE uit Engeland te verwachten en waren in
Denemarken ook niet beschikbaar.
Het ontwikkelen van een zender was een uiterst illegale activiteit. Zou Duus
Hansen er een ontwikkelen, dan moesten er test uitzendingen gemaakt worden, om
de zender te beproeven. Mocht hij door de vijand gesnapt worden, dan zou het
slecht met hem aflopen om niet te spreken over de gevolgen die het zou hebben
voor Bang & Olufsen. Hij kon namelijk niet zonder de inzet van Bang & Olufsen
een zender ontwikkelen.
Hij zocht in het diepste geheim kontakt met radio amateurs en engineers. Onder
hen waren Steen Hasselbalch en Svend Bagge, zij hadden een illegale Post en
Telegraph radio service lab in Kopenhagen. Ook zocht Duus Hansen kontakt met
Jens Oscar Nielsen, een professor aan het Polytechnical High School van
Kopenhagen. In samenwerking met deze heren ontwierp Duus Hansen een transceiver.
Duus Hansen volgde bij het ontwerp een nieuwe filosofie. Zender en ontvanger
werden door hem als aparte units ontwikkeld. Ook de voeding van het apparaat
werd als een aparte unit gemaakt. Het voordeel ervan zou zijn dat het toestel
makkelijk los van elkaar was te transporteren naar een andere lokatie. Buiten
dat was niet alles verloren wanneer iemand gesnapt zou worden met één enkele
unit. De vijand zou moeilijk kunnen achterhalen om wat voor unit het ging. In
het geval van de zender kon het belangrijkste onderdeel, het zendkristal, als
apart onderdeel uit de zendunit gehaald worden waardoor de functie van de unit
moeilijk te achterhalen was. De onderdelen als resultaat van deze vroege
ontwikkelingen zijn te zien in het Freedom Fighters Museum van Kopenhagen.
"Het Telefoonboek".
Duus Hansen ging verder met de ontwikkeling van de transceiver. Hij had de
verschillende units inmiddels zodanig vereenvoudigd en verkleind, zodat de
zendunit, ontvangstunit en voeding tot één klein geheel samengevoegd konden
worden. Het resultaat daarvan presenteerde hij aan het verzet in de zomer van
1943. Het toestel werd direct, van begin af aan "Het Telefoonboek" genoemd,
omdat het toestel dezelfde afmetingen had als het telefoonboek van Kopenhagen.
De grote voordelen van "Het Telefoonboek" waren dat het klein was en dat het kon
werken op wisselspanning en gelijkspanning.
Er
waren vier knoppen, een aan/uit schakelaar en een lampje aanwezig op het front
van "Het Telefoonboek". Aan de achterzijde en de zijkant waren 11
bananencontrastekkers geplaatst voor aansluiting van het zend kristal, de
morsesleutel, de antenne, de voeding en een hoofdtelefoon. Het apparaat was
uitzonderlijk eenvoudig te bedienen.
Uit proeven die werden gehouden met aparte units bleek, dat de zender bijzonder
goed voldeed, zelfs zo goed dat er werd besloten in serieproduktie een zestigtal
"Telefoonboeken" te vervaardigen.
De produktie.
Een overgroot deel van de onderdelen gebruikt in "Het Telefoonboek" waren van
Deense makelij en naar men zegt vaak door Bang & Olufsen geleverd.
Voor het chassis was er een licht soort metaal nodig, zoals aluminium. Helaas
was dat niet verkrijgbaar in die tijd. Daarom werd er gekozen om voor het
chassis Pertinax te gebruiken. Pertinax is een fenol geharde papierplaat. Het
bij elkaar brengen van materialen en onderdelen om 60 transceivers te bouwen gaf
de nodige moeilijkheden.
De
produktie werd verdeeld in twee delen, het mechanische en het elektrische. Het
mechanische deel nam kwartiermeester van de Deense Luchtmacht Allan Larsen voor
zijn rekening. Kwartiermeerster Larsen woonde op het Amager eiland net iets
buiten Kopenhagen en moest naar de stad om de onderdelen te verzamelen. Hij
moest daarvoor op de fiets zo'n 6 kilometer afleggen. Het Pertinax kon hij
slechts krijgen in platen van 90 cm bij 1.80 cm en 3 mm dik. Door de grootte en
het gewicht van de platen, kon hij maar twee platen per keer meenemen. Hij liet
de platen rusten op een pedaal en liep naast zijn fiets terug naar Amager. In
zijn eigen kleine werkplaats bij zijn huis verwerktte hij de Pertinax platen tot
onderdelen voor "Het Telefoonboek". Het chassis van daarvan werd gevormd door
zes rechthoekige Pertinax platen die met elkaar werden verbonden met schroeven
en koperen hoekprofielen. Twee grote Pertinax platen vormden de bovenplaat en
onderplaat. In de zijkanten werden gaten aangebracht, voor de knoppen en
aansluitbussen en extra grote gaten voor koeling van de buizen. Elke week kon
Allan Larsen één chassis voor een transceiver bouwen.
De
electronische onderdelen werden door Duus Hansen van verschillende "geheime"
bronnen betrokken en Allan Larsen moest ze bij die adressen in Kopenhagen
verzamelen. Hij leverde de onderdelen af op weer andere adressen, bij mensen
thuis waar hij ook de chassis afleverde. Bij die adressen werden de chassis
voorzien van bedrading en onderdelen. Het enige onderdeel dat van buiten
Denamarken kwam was het kristal voor de zender. Deze werd geleverd door SOE.
In
het noorden van Kopenhagen, in de kelder onder het huis van Steen Hasselbalck
werden de gereedgekomen "Telefoonboeken" getest. Dat kostte vaak zoveel stroom,
dat hij de elektriciteitsmeter van zijn huis moest blokkeren. Dit om te
voorkomen dat hij in het supertarief van de energiemaatschappij zou komen met
het risico dat hij werd afgesloten van electriciteit.
Het Telefoonboek woog niet meer dan anderhalve kilo en was in die tijd zijn
gewicht meer dan in goud waard. Het was erg plat en kon heel gemakkelijk in een
aktetas vervoerd worden. De detectiemethodes van de vijand werden steeds beter
zodat er voor bijna elke uitzending een andere lokatie gekozen moest worden.
Buiten dat mocht er niet te lang achter elkaar uitgezonden worden. De vijand had
veel detectiewagens, die veelal waren gecamoufleerd. Die wagens konden na het
starten van een uitzending binnen tien minuten het radio-station opgespoord
hebben. Vandaar ook dat er zulke snelle radio-operators moesten komen. Het was
belangrijk in zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk informatie over te zenden.
Met deze eenvoudige en kleine transceivers kon het Deense verzet een "Life-line"
onderhouden met SOE. De frequentie waarop de zender werkte was 7,025 MegaHerz in
de 40 meter amateurband. Het aantal berichten dat werd verzonden vanuit
Denemarken naar SOE was enorm. Eén van de "Telefoonboeken" was gebruikt om, in
maart 1945, het mysterieuze 'KARTHAGO" uit te zenden naar Engeland. Enkele dagen
later werd de verbergplaats van het Gestapo hoofdkwartier in midden Kopenhagen
door een groep van Musquito bommenwerpers van de Royal Air Forces gebombardeerd
in een laagvliegende aanval. Heel veel tactische informatie werd uitgewisseld
gebruikmakend van "Het Telefoonboek". Het apparaat was bijzonder populair. Het
hoge vermogen van de zender zorgde voor een direct en goed kontakt met SOE. Bij
toeval ontdekte een radio operator, omdat hij geen zin had de buitenantenne te
gebruiken, dat een eenvoudige binnenhuis antenne net zo'n goed resultaat gaf als
de buitenantenne. SOE vertelde hem, geheel tot zijn verrassing, dat de ontvangst
kristalhelder overkwam. Vanaf dat moment werd "Het Telefoonboek" uitsluitend
gebruikt met een binnenhuis antenne.
Hoeveel "Telefoonboeken" zijn er gemaakt?
2
augustus 1944 informeerde Duus Hansen SOE dat er inmiddels 15 "Telefoonboeken"
waren geproduceerd. Als we bedenken dat de oorlog nog 9 maanden zou duren, dan
zou er elke week één "Telefoonboek" geproduceerd moeten worden om aan het
streefaantal van 60 exemplaren te komen. Dat zou voor ongekende logistieke
problemen zorgen. Het is niet bekend hoeveel units er exact zijn geproduceerd
maar in ieder geval vijftien.
Hier volgt letterlijk het bericht van Duus Hansen aan SOE:
"We
hebben nu voldoende technisch materiaal. Tot nu hebben we 15 transceiver gebouwd
van het type dat wij "Het Telefoonboek" noemen, omdat de afmetingen hetzelfde
zijn als een gewoon telefoonboek van Kopenhagen. Het bevat een 22 watt high
speed zender en een krachtige ontvanger. Binnenkort zullen wij U een exemplaar
via Stockholm zenden."
Twee maanden later, op 20 september 1944 zond SOE uit Engeland een bevestiging
dat Duus Hansen's transceiver was ontvangen. Drie maanden daarna, op 27 december
1944 kwam het evaluatie rapport van SOE. Het rapport was afkomstig van
commandant Hollingworth, de Deense districtschef van SOE. Het rapport meldde dat
de transceiver bijzonder goed was uitgedacht en ontworpen, zowel mechanisch als
elektrisch. Helaas kon de ontvangen transceiver niet in het laboratorium getest
worden omdat van twee buizen de gloeidraad was gebroken of doorgebrand en er
geen vervangende buizen beschikbaar waren.
Hoe het kon, dat de twee buizen stuk waren was een raadsel. Of het was tijdens
transport gebeurd, in de Musquito bommenwerper, of er was geen goede spanning
aangesloten bij het testen in het laboratorium. Het type buis dat Duus Hansen
had gekozen waren goed, mits ze niet werden blootgesteld een hevige vibraties.
Aangenomen wordt dat tijdens het luchttransport de buizen defect zijn geraakt.
Duus Hansen kon geen nieuwe buizen leveren en evenmin kon men in Engeland,
vanwege het unieke karakter van het ontwerp, vervangers plaatsen of het ontwerp
namaken. Alhoewel de Engelsen vonden dat het beter was verschillende typen
buizen toe te passen in het ontwerp, waren ze bijzonder enthousiast over "Het
Telefoonboek". De buizen die werden gebruikt waren UCH21, UF21 en UBL21,
standaard buizen die algemeen in Denemarken verkrijgbaar waren in die tijd.
Detectie van radio-stations.
Vaak werden verschillende "Telefoonboeken" op verschillende strategische
plaatsen in een district geplaatst zodat de radio operator gemakkelijk kon
switchen van de ene plaats naar de andere. Dit om de vijand in verwarring te
brengen. Tijdens een uitzending stonden diverse bewakers te posten in de
omgeving en waarschuwde wanneer er een detectie wagen in de buurt kwam. Alhoewel
de detectiewagens op een gegeven moment gecamoufleerd waren, was het gemakkelijk
ze te herkennen want er reden praktisch geen auto's in de straten omdat er geen
brandstof verkrijgbaar was. Het moest dus wel gaan om een detectiewagen. Het is
slechts enkele keren voorgekomen dat de bewakers in actie moesten komen omdat
een detectiewagen te dicht in de buurt kwam van een radio-station. Dat verliep
zonder al te veel bloedvergieten omdat het personeel in de detectiewagens niet
was ingesteld zichzelf te verdedigen. Gedurende de tweede Wereldoorlog zijn
slechts twee radio operators gearresteerd.
Gecodeerde telegrammen.
De
telegrammen die werden verzonden naar SOE waren gecodeerd. Immers de vijand
luisterde mee. De codes die door het verzet werden gebruikt waren niet te
kraken, zo is gebleken, het zou catastrofaal geweest zijn als dat wel mogelijk
was geweest. De vijand wist ook nooit voor wie, of welk land het telegram
bedoeld was.
Snellere methoden.
Eind 1944 was het aantal telegrammen dat werd uitgezonden zo groot, dat er
uitgezien moest worden naar mogelijkheden om dit sneller te doen. Er werd
gekeken naar andere golflengten die snellere transmissie toelieten. Zo werd er
een VHF radio transmissie tot stand gebracht tussen Kopenhagen en Malmo in
Zweden. Er werd direct kontakt gehouden met de Amerikaanse ambassade die in
Malmo was gevestigd. Het verzet had tot taak het verplaatsen van Duitse troepen
te sabboteren. In Frankrijk was de invasie van geallieerden begonnen en alle
Duitse troepen werden daar naartoe gezonden. Het Deense verzet sabotteerde
daarop de Spoorwegen en treinen. Om goed op de hoogte te blijven van het
verplaatsen van de Duitse troepen, moest er een bijzonder snelle vorm van
bericht ontvangst gevonden worden. Men dacht erover om de ontvangen berichten op
platen van was vast te leggen waarna ze, in een lager tempo gedecodeerd konden
worden. Dit was geen ideale oplossing en Duus Hansen onderzocht de mogelijkheden
om de Telegrafoon voor dit doel te gebruiken. De Telegrafoon is een ontdekking
gedaan in 1898 door de Deense engineer Valdemar Poulsen. De Telegrafoon is een
draadrecorder en was zijn tijd ver en ver vooruit. De tijd was er, in 1898. nog
niet rijp voor. Het Amerikaanse ministerie van Defensie had de mogelijkheden van
de draadrecorder ingezien en had, op basis van de Telegrafoon, een draadrecorder
ontwikkeld. Drie van die draadrecorders waren gestationeerd in Londen. Eén van
die drie draadrecorders werd uitgeleend aan Duus Hansen voor het Deense verzet
en werd gestationeerd in Zweden om de snelle telegrammen vast te leggen.
Terug naar Bang & Olufsen.
Behalve de reeds besproken communicatievormen, hadden de lokale verzetgroepen
kleine transceivers, lijkend op "Walkie-Talkies" en gewone AM radio's gekregen
van SOE. Dit materiaal werd gebruikt om onderling kontakt te houden en sabotage
acties te coördineren. De berichten werden veelal in code verzonden. Er ging van
deze toestellen nog wel eens een kapot. Die werden dan bij Bang & Olufsen in
Struer gerepareerd. Behalve dat werd er door Bang & Olufsen ook een serie pocket
ontvangers geproduceerd.
Bang & Olufsen was in die tijd geen erg groot bedrijf, er werkten enkele
honderden werknemers. Van die werknemers waren er erg veel actief in het Deense
verzet. Ook leverde Bang & Olufsen veel onderdelen voor onder andere "Het
Telefoonboek". Peter Bang en Svend Olufsen ondersteunde deze activiteiten zoveel
mogelijk.
Het gevolg was, dat een Nazi terreurgroep op 14 januari 1945 om 's morgens 2
minuten voor half vijf, de fabrieken van Bang & Olufsen opbliezen. De fabrieken
werden totaal vernietigd. Gelukkig waren er geen slachtoffers.
De
Nazi terreurgroep handelde in opdracht van Bovensiepen, de chef van de Gestapo
in Denemarken. Leider van de Nazi terreurgroep was de overgelopen Deen Bothilsen
Nielsen. Hij werd gegrepen en heeft toen een bekentenis afgelegd.
Volgens zijn bekentenis werden de Bang & Olufsen fabrieken vernietigd samen met
nog enkele andere doelen in Denemarken, zoals o.a. het theater van Aarhus en de
Papiermolen van Aalborg. Voor het vernietigen van de Bang & Olufsen fabrieken
had hij, samen met 7 andere personen, in de bewuste nacht tien zakken met elk 8
kg explosieven geplaatst in de fabrieken op verschillende plaatsen. Er werden
lonten aangebracht van de zakken naar een plaats ten westen buiten de fabrieken.
Daar werden de lonten samengebracht in twee tussen-onstekingen. Deze
tussen-ontstekingen werden opnieuw voorzien van een lont van 5 meter lengte.
Toen dat allemaal klaar was, werd de lont ontstoken en verliet de groep het
terrein van de fabrieken. Vanaf een veilige afstand stopten de acht sabboteurs
om de enorme explosie af te wachten. Maar, zo vaak bij dat soort dingen, er
gebeurde niets. De enorme knal kwam niet. Vier van de sabboteurs werden
teruggestuurd naar de fabrieken en vonden dat de lonten waren opgebrand zonder
de tussen-ontstekingen te ontbranden. Er werden twee nieuwe lonten aangebracht
en ontstoken. Kort daarna volgde een enorme vlam en nog geen moment later volgde
de enorme knal volgens Bothilsen Nielsen. Een knal die tot ver in Denemarken te
horen was.
In
de ochtend, toen het licht werd, werd het pas duidelijk hoe erg de fabrieken er
aan toe waren. Er was niets meer van over. Slechts de enorme tonnenwegende
Bakelietpers stond nog deels overeind. De rest was veranderd in een ruine. De
brand, die volgde op de explosie had de vernietiging kompleet gemaakt. Toch
konden er nog tekeningen en onderzoeksrapporten worden gered zodat het
onderzoekswerk kort na de ramp hervat kon worden.
De wederopbouw.
De
morgen van 15 januari begonnen de werknemers van Bang & Olufsen direct met het
opruimen van de rommel. Hierbij werden ze geassisteerd door de lokale brandweer
en de burgelijke strijdkrachten. Machines werden uitgegraven en stukje bij
beetje schoongemaakt en gerepareerd. Bang & Olufsen kon een grote loods van een
lokale boer gebruiken om alle machines te repareren en op te slaan.
|